Lijntypes en verbindingstechnologieën

  • 6 augustus 2018
  • 6 reacties
  • 577 keer bekeken

Reputatie 7
Badge +27
KPN levert haar vaste diensten over een draad die naar je huis loopt. Dat klinkt simpel, maar er zit een heleboel techniek achter. Hier lees je meer over de verschillende draadjes en de technieken.

Intro


Centrale, straatkast, kabelverdeler, wat is wat?

Koper


Koper is de oorsprong van het netwerk. Begonnen als telefoonlijnen werden de twee om elkaar gedraaide draadjes (het aderpaar) uiteindelijk ook gebruikt voor internet door gebruik te maken van een techniek die DSL heet. Dit staat voor Digital Subscriber Line (vroeger Loop).

Zo'n aderpaar heeft een frequentiebereik. Voor analoog telefoongebruik is daar maar een heel klein stukje van nodig. Wat de DSL-techniek doet is de rest van dat bereik opdelen in blokken. Per blok wordt, door middel van elektrische pulsen, data verzonden. Omdat het per blok gaat kan de kwaliteit goed in de gaten gehouden worden en kan er, in totaal, meer data over de lijn. Over de jaren is DSL doorontwikkeld waardoor er nu al veel meer mee kan dan vroeger. Het kernpunt blijft echter wel: de afstand tot de centrale.

Klik hier voor meer informatie over de volgende verbindingstypen:
  • DSL in het algemeen
  • ADSL2+: Asymmetric Digital Subscriber Line
  • VDSL2: Very high bitrate Digital Subscriber Line
  • Overspraak, DLM, en foutcorrectie
  • Vectored VDSL2
  • VPlus

Op de meeste van deze typen is Pairbonding verder ook nog een optie.

Glasvezel


Glasvezel is een redelijk nieuwe technologie. In plaats van koperkabels wordt er gebruik gemaakt van lange stukken glasvezeldraad. Hierover worden signalen verstuurd als lichtpulsen (in plaats van elektrische signalen bij koper). Via deze kabels is er meer bandbreedte beschikbaar. We gebruiken glasvezel ook in het kopernetwerk, maar dan niet tot aan het huis, maar tot aan centrales, wijk- en straatkasten. Dit laatste heet FttC, Fiber to the Curb. Glasvezel tot in huis noemen we FttH, Fiber to the Home. De onderstaande twee typen gaan over FttH.

Klik hier voor meer informatie over glasvezelverbindingen:
  • EoF: Ethernet over Fiber
  • GoF: Gigabit over Fiber

Overige technieken


Dit zijn nog een paar technieken, voor koper of glasvezel, die wij (nog?) niet gebruiken, maar die je misschien eens ergens voorbij hebt zien komen.

Klik hier voor meer informatie:
  • G.Fast

Oudere lijntypes die niet expliciet voor Internet zijn


Klik hier voor meer informatie over de traditionele koperverbindingen:
  • PSTN
  • Intermissie 1: Pulse & Tone
  • POTS
  • Intermissie 2: Belastings- of Aansluitfactor
  • ISDN
  • Intermissie 3: Het verdwijnen van ISDN en meervoudige PSTN
  • Inbelverbinding
  • Intermissie 4: Telefoontikken
  • Line Sharing
  • Afsluiter: Analoge en digitale signaalomzetting
  • Extraatje: Fax

6 reacties

Reputatie 7
Badge +27

Centrale, straatkast, kabelverdeler, wat is wat?


(Bron: J. Nijs, Houweling Telecom Museum)

Door heel Nederland staan centrales. Een centrale of wijkcentrale is het punt waar alle koperlijnen in een gebied samenkomen, Vroeger waren dit expliciet telefooncentrales, die per centrale een gemeente (of deel daarvan) bedienden. Hier kwam uiteindelijk ook internet vandaan (DSL), maar hoe verder weg je van de centrale woont, hoe langzamer het is. Een centrale wordt ook wel hoofdverdeler (hvd) genoemd, of MDF (main distribution frame).

Daarom zijn we dat gaan uitbreiden. In grotere plaatsen, waar een centrale wel heel veel oppervlakte moet bedienen, zijn we vanaf 2011 buitenringen gaan aanleggen. Dit is een ring van glasvezelkabel vanuit de centrale, waardoor er veel meer bandbreedte beschikbaar is. Op die kabel worden dan wijkkasten aangesloten. Dit zijn kleine of middelgrote kasten met daarin een verdeelpunt voor de DSL-verbinding. Dat verdeelpunt is een apparaat dat DSLAM heet. Een wijkkast wordt ook wel kabelverdeler (kvd) of straatkast genoemd. Daarnaast kan het ook als SDF (Subloop distribution frame) aangeduid worden. Dit zijn dan wel specifiek buitenring-wijkkasten.

(Bron: tweakers)

Naast de buitenring wijkkasten zijn er ook nog wijkkasten die met een koperverbinding aan de centrale vast zitten. Bij die verbindingen is de bandbreedte alsnog gelimiteerd door de afstand tot aan de centrale.
Reputatie 7
Badge +27

Kopertechieken



DSL


Dataverkeer via een koperlijn (bestaande uit een set van om elkaar gedraaide koperdraden) werkt door data om te zetten in een patroon van elektrische pulsen. Deze pulsen worden door de koperkabel gestuurd. Heen, en weer. Origineel kon er op deze manier maar weinig data verzonden worden. Het werd dan ook alleen gebruikt voor telefonie, waar niet veel data voor nodig is. De belangrijkste reden dat er maar weinig data verzonden kon worden is dat de pulsen elkaar verstoren (overspraak).

Uiteindelijk werd DSL ontwikkelt. Bij DSL wordt het frequentiebereik van het aderpaar opgedeeld in blokken van 4312.5 Hz. Per blok wordt data verzonden. De data wordt aan het begin van de route gemoduleerd tot een analoog patroon van elektrische pulsen. Aan het einde van de route wordt het weer gedemoduleerd tot digitale data. Dit gebeurt door een modem (wat staat voor modulator-demodulator). Hierbij wordt de gebruikte frequentie ook nog opgesplitst in een deel voor downstream verkeer (van ons naar eindpunt) en een deel voor upstream verkeer (van eindpunt terug naar ons). Dit zorgt ervoor dat specifiek eindpunt-overspraak (NEXT) eigenlijk niet meer voorkomt. Dit maakte de weg vrij voor ADSL en de verdere ontwikkeling.



ADSL2+


Elk van die frequentieblokken zit hoger in de frequentieband, tot op een bepaald moment een blok niet meer stabiel genoeg is om data te kunnen verzenden. Voor ADSL zit die grens rond de 1.1 Mhz. Omdat de bandbreedte dus beperkt is, is de maximaal haalbare snelheid van dataoverdracht dat ook. Voor ADSL zit je dan op ongeveer 8 Mbit per seconde. Dit is vervolgens doorontwikkeld waardoor hogere frequenties gebruikt konden worden. Je krijgt dan ADSL2, met een maximale datasnelheid van 12 Mbit, en ADSL2+, met een maximale datasnelheid van 24 Mbit.

ADSL2+ is de minimale techniek die KPN biedt. Dat wil echter niet zeggen dat je dan ook altijd 24 Mbit hebt. Omdat het signaal snel minder wordt in kwaliteit is de afstand tussen je huis en de centrale erg belangrijk. Om de volle 24 Mbit te halen, moet je minder dan 700 meter van de centrale zitten. Zit je op meer dan 5km, dan haal je misschien nog net 1 Mbps.



VDSL2


Door de techniek te verfijnen is het gelukt om hogere frequenties te gaan gebruiken en kom je op VDSL. Voor VDSL1 is dat nog gelimiteerd tot een bandbreedte van 12 Mhz, maar bij VDSL2 zit je al op frequenties tot 30 Mhz. Door deze grotere bandbreedte kan ook de maximaal haalbare snelheid van dataoverdracht omhoog. Waar ADSL dus op 8 Mbit per seconde blijft steken, zit VDSL1 al op 55 Mbit. VDSL2 heeft een theoretisch maximum van 100 Mbit op een frequentie van 17 Mhz en 200 Mbit op 30 Mhz. Welk frequentieprofiel wordt gebruikt hangt af van wat er precies aangesloten zit (qua centrales etc...). Hoe hoger de frequentie, hoe hoger ook de storingsgevoeligheid. Naar verhouding wordt het 17Mhz profiel dan ook vaker gebruikt.

Ook hier blijft de afstand tot de centrale echter een kernpunt. Omdat de frequenties bij VDSL2 hoger zijn, is er, vooral in het beginstuk, sneller verzadiging waardoor de maximale datasnelheid snel afneemt tot ongeveer een kilometer. Daarna wordt de mate van degradatie gelukkig veel minder, vooral in vergelijking met VDSL. Dit is ook waarom wij kiezen voor VDSL2. Vanaf een afstand van ongeveer anderhalve kilometer is de datasnelheid van VDSL2 vergelijkbaar met die van ADSL2+.


Overspraak, DLM en foutcorrectie


De ontwikkeling blijft doorgaan. Hogere frequenties gebruiken is daarin een richting. Maar een andere richting is het verminderen van de onderlinge verstoring. Door de frequentieband op te splitsen voorkom je storing tussen heen- en terugverkeer (NEXT). Maar signalen die in dezelfde richting gaan kunnen elkaar ook storen (FEXT), en daarnaast is er overspraak door andere aderparen die vlakbij liggen (AXT).

Om dat op te lossen kunnen er verschillende dingen gedaan worden, deze vallen allemaal onder de noemer Dynamisch Spectrum Management (DSM). Daarmee wordt ruis onderdrukt en het spectrum aan gebruikte frequenties geoptimaliseerd. Binnen KPN noemen we dat laatste DLM (Dynamic Line Management). Daarbij houdt ons systeem je verbinding in de gaten. Als dan blijkt dat de kwaliteit van je verbinding niet goed is, past het systeem automatisch frequenties aan zodat je op een ander frequentieprofiel terecht komt. Dit betekent in de praktijk dan dat je snelheid over het algemeen ietsje minder wordt, en de stabiliteit beter.

Daarnaast is ook Forward Error Correction (FEC) veelgebruikt. Elk ontvangen en verstuurd datapakketje bevat een aantal bytes aan informatie waarmee de inhoud van het pakketje kan worden hersteld. Als er data uitvalt door ruis of een andere verstoring kan dat hiermee worden gecorrigeerd. Het aantal gecorrigeerde fouten door FEC kan je in de Experia Box uitlezen op de statuspagina. We hebben geen specifieke richtlijnen voor die waarde. Hoeveel correcties er zijn hangt af van de kwaliteit van je verbinding.


Vectored VDSL2


Specifiek voor de verstoring door andere aderparen is vectoring ontwikkeld als derde niveau binnen Dynamisch Spectrum Management. Vectoring verwerkt het signaal op zodanige manier dat een aderpaar geen last meer heeft van de andere aderparen die op dezelfde DSLAM zitten. Dit gebeurt door ruisonderdrukkinng (noise cancelling). Hierdoor komt de maximaal haalbare snelheid veel beter tot zijn recht. Hier merk je het meeste van op hele korte afstanden omdat de overspraak in de buurt van de centrale het hoogst is. Hoe verder je komt, hoe verder de kabels spreiden en dus niet meer storen.


VPlus


Qua ontwikkeling richting hogere frequenties komen we bij VPlus terecht. Dit is VDSL2 die een bandbreedte heeft van 35 Mhz en gebruikmaakt van vectoring. Dit brengt op verbindingen op korte afstand van de centrale snelheden tot een theoretisch maximum van 400 Mbit.


Hier een overzichtje van, ruwweg, welke snelheden haalbaar zijn op welke afstand met de verschillende lijntypes. Voor de volledigheid: aan deze grafiek zijn geen rechten te ontlenen. Voor wat je in de praktijk kunt halen is ook de kwaliteit van je individuele lijn en aansluiting van belang.

Reputatie 7
Badge +27

Pairbonding


Pairbonding is het gebruik van twee aderparen. Hierdoor verdubbelt de theoretische snelheid. En kan je in de praktijk dan ook tot het dubbele halen.

Met een enkel aderpaar loopt je verbinding via een set van twee om elkaar gedraaide koperdraden. Dit noemen we een twisted pair. Het zijn dus eigenlijk 4 draadjes: wit, oranje, rood en blauw. Samen vormen deze vier het aderpaar dat in huis uitkomt. Aan het einde van dat aderpaar zit dan een RJ11 stekkertje. Daarmee wordt de kabel in de Experia Box geplugd.

Als je pairbonding krijgt, betekent dit dat er een tweede aderpaar gebruikt wordt. De beide aderparen worden samengevoegd in een enkel RJ11 stekkertje. Omdat er echter maar 4 draadjes in een RJ11 stekker kunnen, moet dit met een verloopstuk, een zogenaamde Y-kabel. Wat de Y-kabel doet is twee draadjes van het eerste aderpaar pakken, en twee draadjes van het tweede aderpaar. Die worden dan met z'n vieren in de goede volgorde in een nieuw RJ11 stekkertje geplaatst. Dit wordt door onze monteurs gedaan bij het aansluiten van pairbonding. Op deze manier komt er twee keer signaal binnen op de Experia Box wat daar tot een enkele verbinding wordt samengevoegd.



Snelheid


Theoretisch wordt hiermee dus je snelheid verdubbeld. Of je dat in de praktijk ook haalt is afhankelijk van een aantal factoren. Kwaliteit van de kabels in het algemeen is daarbij belangrijk. En daarnaast moet je ook rekening houden met overspraak. Als je twee aderparen hebt, dan lopen deze vaak dicht langs elkaar. Zolang je via een van die paren signaal hebt, is er niets aan de hand. Zodra er echter op beide signaal loopt kan dat elkaar storen (zie ook het bericht hierboven), waardoor de daadwerkelijke snelheid lager kan zijn dan de snelheid die wij verwachten in de postcode check.


Wanneer wel, en wanneer niet


Er zijn een paar vereisten voor het kunnen krijgen van pairbonding. De belangrijkste daarvan is dat er ook al daadwerkelijk een tweede aderpaar in de grond ligt.

Verder is, specifiek voor KPN, belangrijk dat dit tweede aderpaar ook al aangesloten is in de centrale. Er hoeft geen signaal over te lopen, maar hij moet daar al wel ingelast zijn. Als dat niet zo is, dan leveren wij géén pairbonding op een consumentenaansluiting. Sommige andere providers doen dit wel, bijvoorbeeld XS4ALL.

Ten derde telt de afstand tot de centrale en je lijntype. Op afstanden groter dan 1,4 km van de centrale leveren wij géén pairbonding. Ook op ADSL2+ leveren wij géén pairbonding.
Reputatie 7
Badge +27

Glasvezeltechnieken



Dataverkeer via een koperlijn werkt door data om te zetten in een patroon van elektrische pulsen. Deze pulsen worden door de koperkabel gestuurd. Aan het einde wordt het weer omgezet naar de originele data. Het principe daarvan blijft bij glasvezel gehandhaafd, alleen de vorm is anders.

Zoals de naam al doet vermoeden bestaat glasvezel uit een hele dunne vezel van glas. Data wordt omgezet in een patroon van lichtsignalen. Die worden vervolgens door de glaskabel gestuurd. Omdat licht verschillende golflengtes heeft, kun je op veel kanalen tegelijkertijd data versturen. Afhankelijk van de technologie die gebruikt wordt heeft elk kanaal een een overdrachtssnelheid van 100 tot 400 Gbit per seconde.

Ook is het veel minder gevoelig voor verstoring en blijft het signaal over veel langere afstanden goed. Denk dan niet alleen aan enkele tientallen kilometers, maar zelfs tot aan duizenden. Gecombineerd met het feit dat een glasvezel zo dun is, kunnen er dan ook heel veel vezels gebundeld worden in een kabel. Waardoor je ook heel veel locaties kunt bereiken.

De kern van ons netwerk bestaat uit glasvezel. Van daaruit wordt dit uitgebreid zodat niet alleen de centrales op glasvezel zitten, maar ook zoveel mogelijk wijkkasten. En daarnaast zijn we bezig om steeds meer huizen direct aan te sluiten op glasvezel.

Als de glasvezelkabel tot aan je wijkcentrale loopt, en alleen het laatste stukje is koper, dan heet dit FttC: Fiber to the Cabinet (of Curb). Loopt het glasvezel echt helemaal tot in je huis, dan heet het FttH: Fiber to the Home.


Ethernet & Gigabit over Fiber


Binnen ons FttH aanbod hebben we twee soorten: Ethernet over Fiber (EoF) en Gigabit over Fiber (GoF). Beide van deze zijn in de kern hetzelfde. Het enige verschil is de connectie in de wijkcentrale. Hierdoor wordt bij Ethernet over Fiber de maximale datasnelheid gelimiteerd tot 100 Mbit en bij Gigabit over Fiber tot 500 Mbit.

Het was altijd zo dat als je EoF had, je niet over kon naar GoF (wat zich uitte in het feit dat het 500/500 pakket niet voor je bestelbaar was). Tegenwoordig is dat niet meer het geval. Alle wijkcentrales zijn inmiddels zo aangepast dat ze GoF aankunnen. Als je nu dan ook nog op een EoF verbinding zit kun je overgezet worden naar GoF. Dit gebeurt automatisch zodra je een 200 of 500 Mbit snelheidsoptie bestelt.
Reputatie 7
Badge +27

Overige technologieën die wij (nog?) niet gebruiken


DSL: G.fast


G.fast is een DSL protocol dat hoge snelheden geeft op hele korte afstanden tot de centrale. Het maakt gebruik van bandbreedtes tot 106 Mhz (versus maximaal 35 Mhz voor VDSL2). Hierdoor kan er meer data overheen, maar is het wel veel gevoeliger voor storing. De snelheid valt dan ook heel snel terug. Waar er op minder dan 100 meter afstand nog 900 -1000 Mbit haalbaar is, ben je op 200 meter al teruggevallen tot 600 Mbit en op 500 meter zit je op 100 Mbit.

Daarnaast is er met een dergelijk frequentiebereik overlap met FM-radiofrequenties en bepaalde frequenties in gebruik door overheid en leger. Daar moet bij het vormen van het signaal dan ook rekening mee gehouden worden.

Reputatie 7
Badge +27

Oudere lijntypes en verbindingen die niet expliciet voor Internet zijn



Koperkabels bestaan al heel lang. Lang voordat internettoegang voor consumenten een feit was, waren de kabels er al. Toen zuiver in gebruik voor telefonie.

Op 1 juni 1881 wordt in Amsterdam het eerste openbare telefoonnetwerk van Nederland in gebruik genomen. Op de zolder van sociëteit ‘De Groote Club’, op de hoek van de Kalverstraat en de Dam, verbond een telefoniste van de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij (NBTM) de 49 aangesloten abonnees met elkaar. ‘Ik verbind u door’ waren de legendarische woorden van het eerste telefoongesprek in Nederland. Een aantal jaar later, in 1888, legde de NBTM de eerste interlokale verbinding van Nederland aan, tussen Amsterdam en Haarlem. De eerste stappen op weg naar een wijdvertakt netwerk.

Voor meer over de geschiedenis van telefonie, KPN en ons netwerk, zie dit mooi gemaakt overzicht op onze website.

Wil je nog meer leren? Bezoek dan vooral eens het Houweling Telecom Museum in Rotterdam.

PSTN


PSTN staat voor Public Switched Telephone Network. Dit is het (wereldwijde) telefoonnetwerk. Vroeger ging het dan zuiver om analoge telefonie, maar tegenwoordig behelst het (achter de schermen) ook nieuwere vormen van telefonie zoals VoIP en mobiel en loopt het inmmiddels ook (deels) over glasvezel). In het dagelijkse leven wordt de term PSTN echter veelal gelezen als 'analoge telefonie'. Terwijl we daarvoor, tegenwoordig, eigenlijk de term POTS moeten hebben.

Het 'Switched' deel van de afkorting is de kern van het verhaal. De verbindingen komen namelijk tot stand door gesloten circuits te maken. Door het omzetten van de schakelaars om het circuit te sluiten ontstaat de verbinding tussen jouw telefoon, en de telefoon van degene waar je naar belt. Vroeger ging dit handmatig, tegenwoordig gaat alles digitaal.

Het werkt als volgt: op de koperlijn staat constant een laag niveau aan spanning. Op het moment dat je de hoorn oppakt om te gaan bellen begint je basis beltoon. Dat geluid wordt analoog omgezet naar een elektrisch signaal dat via de koperlijn wordt verstuurd. De centrale ontvangt dit, en weet dan dat er een gesprek aan zit te komen. Jij toetst ondertussen het telefoonnummer in dat je wilt bellen. Het geluidssignaal van elk nummer wordt ook weer als elektrisch signaal doorgezet naar de centrale. De centrale leest het nummer uit en weet zo waar jij heen wilt bellen. De verbinding met het eindpunt wordt gemaakt en de telefoon bij de ontvangende partij gaat rinkelen. De ontvanger neemt op, wat als signaal terug wordt gezonden naar de centrale. De centrale weet dan dat de verbinding in stand is. Vervolgens worden de geluidsgolven van het gesprek dat jullie voeren omgezet naar elektrische pulsen en heen en weer verzonden over het gelegde circuit. Als je ophangt gaat de spanning op de lijn terug naar het basisniveau en weet de centrale dat het gesprek is afgelopen en dat het circuit kan worden verbroken.

Vroeger werd dit schakelen handmatig gedaan (zie afbeelding hierboven). Zodra jij de hoorn oppakte om te gaan bellen kreeg je de centrale aan de lijn. Je gaf dan in gesprek aan waar je heen wilde bellen en de operator maakte de verbinding met die woning. Nadat die woning bereikt was, schakelde de operator dan de verbinding door, waardoor het circuit compleet was en je met elkaar kon praten.


Intermissie 1: Pulse & Tone


Er zijn twee manieren om een nummer te bellen: Tone en Pulse. Pulse is daarvan de oudste en komt bijna alleen maar voor op de oude draaischijftelefoons. Bij Pulse correspondeert elk nummer met een serie aan tikken. Om dan te zorgen dat de centrale niet in de war raakt is er een pauze nodig tussen elk nummer. Waar een draaischijf toestel automatisch voor zorgt omdat je eerst moet wachten tot je schijf weer teruggekomen is. Het duurt hierdoor erg lang voor je verbinding kunt maken.

Tone (heet officieel DTMF, Dual Tone Multi Frequency) daarentegen heeft voor elk nummer een apart geluidje. Hierdoor is er geen kans op verwarring voor de centrale en kan er veel sneller contact worden gelegd. Een draaischijf is dan ook niet meer nodig.



POTS


POTS is een term die stamt uit de jaren zeventig. Op dat moment kwam ISDN op, en was er een benaming nodig voor de bestaande analoge techniek. POTS is dan ook een retroniem en heeft als afkorting niet echt een vaste betekenis. Enkele gebruikte betekenissen zijn Plain Old Telephone System of Publically Operated Telephone System.

POTS is specifiek voor analoge omzetting van het signaal, en het daarbij behorende eindpunt van de kabels. Voor analoge telefonie kun je de koperkabel, met een RJ11-stekkertje eraan, vanuit je IS/RA punt namelijk rechtstreeks in je telefoon steken. Of, als je een varkensneusstopcontact hebt, dan kan het daarin met de speciale stekker.

Nadeel van analoge telefonie is dat er maar één signaal tegelijk overheen kan. Dus je kunt niet bellen en een fax sturen, of meerdere gesprekken tegelijk voeren. Ook is er, door de analoge manier van omzetten sneller sprake van ruis.


Intermissie 2: Belastings- of Aansluitfactor


Apparaten aangesloten op een koperlijn nemen stroom af en belasten daardoor het netwerk. Voor elk netwerk geldt een maximale belasting op een aansluitpunt. Om die belasting in de gaten te houden heeft elk apparaat een belastingsfactor. Dit is een waarde die aangeeft hoe zwaar het apparaat het netwerk belast. Het wordt weergegeven, meestal aan de onderzijde van het toestel.

Voor de KPN Experia Box geldt dat de belastingsfactor per telefoonpoort niet meer dan 125 mag bedragen. Overschrijd je dat, dan kan het belsignaal niet goed meer werken, en de gesprekskwaliteit naar beneden gaan.

Op sommige oudere toestellen staat aansluitfactor in plaats van belastingsfactor. Dit kun je simpel omrekenen naar een belastingsfactor door het getal te vermenigvuldigen met 25. Heb je een telefooncentrale aangesloten, dan geldt alleen de belastingsfactor van de centrale. Apparaten die daar op aangesloten zijn hoef je niet mee te rekenen.



ISDN


ISDN, wat we sinds 1991 aanbieden, was de volgende stap in de ontwikkeling rondom telefonie. Het staat voor Integrated Services Digital Network. Het maakt gebruik van digitale omzetting naar elektrische signalen en verdeelt het frequentiebereik van de kabel in een aantal kanalen. Een aantal B-kanalen, wat staat voor bearer (drager) en een D-kanaal, wat staat voor data. Het D-kanaal wordt gebruikt voor de in- en uitgaande oproepen (het laten overgaan van de telefoon, het kiezen van het nummer etc...) en kan ook worden gebruikt voor dingen als pinautomaten en alarm. De B-kanalen worden dan gebruikt voor het versturen van het daadwerkelijke gesprek. Daarom wordt ISDN ook wel Annex-B genoemd (waarbij POTS Annex-A (voor analoog) is).

Door die meerdere kanalen kunnen er ook meerdere signalen tegelijk over de kabel waardoor je meer verbindingen tegelijk actief kunt hebben. Binnen ISDN zijn dat eigenlijk twee soorten. ISDN-2 (ook wel BRI: Basic Rate Interface genoemd) en ISDN-30 (PRI: Primary Rate Interface). ISDN-2 geeft aan dat er twee signalen tegelijk actief kunnen zijn. ISDN-30 is dan dus 30 signalen. Deze laatste wordt voornamelijk gebruikt door bedrijven, terwijl ISDN-2 ook veelvuldig door consumenten gebruikt wordt.

Omdat ISDN gebruik maakt van digitale omzetting, kun je ook niet rechtstreeks je kabel op je telefoon inpluggen. Er is een omzetter nodig. Wat voor een hangt af of je ISDN-2 of ISDN-30 hebt. Voor ISDN-2 is het de NT1. Deze verbindt je aan je IS/RA punt en je telefoon plug je dan in de NT1. De NT1 zet je inkomende aderpaar om in 2 aderparen waardoor je er twee toestellen op kunt aansluiten. Dat kan dan een telefoon zijn, maar ook een fax, een telefooncentrale etc...

Bij ISDN is er ook een scheiding tussen de lijn en het telefoonnummer. Waar bij POTS het telefoonnummer aan de lijn is gekoppeld, is een nummer bij ISDN aan een apparaat gekoppeld. Zo kunnen er bij ISDN-2 8 telefoonnummers worden toegewezen. Via een telefooncentrale (die je aansluit op de NT1) kun je dan de nummers toewijzen aan specifieke telefoontoestellen.

Een NT1 (boven) verbonden met de IS/RA (onder).

Voor ISDN-30 geldt in de basis hetzelfde, alleen de omzetter ziet er anders uit en je kunt er dus nog meer apparaten op aansluiten. Daarnaast is er ook nog meervoudige ISDN (en ook PSTN) waarbij je meerdere lijnen hebt die onder een groeps- of doorkiesnummer beschikbaar zijn.


Intermissie 3: Het verdwijnen van ISDN en meervoudige PSTN


In de afgelopen jaren zien we dat ISDN en meervoudige PSTN steeds minder gebruikt wordt. Het netwerk wordt steeds moderner en beter waardoor met andere technieken en verbindingen hetzelfde, en méér, haalbaar is. Daarom stoppen wij in de komende periode met ISDN en meervoudige PSTN. Enkelvoudige PSTN blijft bestaan, maar wordt achter de schermen omgezet van een analoge dienst naar VoIP

Per 1 september 2019 stopt enkelvoudige en meervoudige ISDN-1 en ISDN-2. De grotere diensten ISDN-15, ISDN-20 en ISDN-30 blijven in ieder geval nog tot 1 januari 2021 actief. Maar ook dit zal op termijn vervangen worden voor een op breedband gebaseerd systeem. Alle klanten van deze diensten zijn en worden hierover ruim op tijd geïnformeerd en benaderd zodat ze een keuze kunnen maken hoe ze dit willen vervangen.

Meer hierover lees je op onze website.



Inbelverbinding


Een inbelverbinding is een manier om via de telefoonlijn op internet te gaan. Door vanaf de computer met een belprogramma, via je modem, naar een speciaal nummer te bellen kon je een internetverbinding starten. In het begin waren dit voornamelijk BBS'en (Bulletin Board System). Daar kon meestal maar 1 gebruiker tegelijk op inbellen. Eenmaal ingebeld kon je nieuws lezen, berichten achterlaten, bestanden downloaden en chatten. Als een BBS wel meerdere lijnen had, kon je chatten met elkaar. Was het een enkele lijn, dan kon je alleen chatten met de beheerder. In de jaren 90 kwam het www echt op en werden BBS minder gebruikt.

Er waren abonnementen voor inbelverbindingen, maar er waren ook veel aanbieders waarbij het inbellen an sich gratis was. Je betaalde alleen voor de tijd die je online was, gebaseerd op de telefoontikken. Omdat het gebruik maakt van telefonie is de bandbreedte echter beperkt, waardoor data maar langzaam heen en weer verzonden kan worden. Na de komst van breedbandinternet (ADSL en verder, zie hierboven) verloor inbellen snel terrein. Je kunt echter nog wel bij bepaalde aanbieders op deze manier gebruik maken van internet.


Intermissie 4: Telefoontikken


Een telefoontik is een letterlijke tik (puls) die gebruikt werd om de kosten voor een telefoongesprek te registreren. Zoals hierboven aangegeven staat op een telefoonlijn constant een laag spanningsniveau. Door periodiek een puls wisselspanning door te geven, de tik, wordt de tijd bijgehouden. Deze tikken kon je thuis ook bijhouden met een tikkenteller. Deze had een elektromagneet erin die de pulsen registreerde en met elke puls zijn teller met 1 verhoogd. Deze tellers werden voornamelijk gebruikt in openbare telefooncentrales, studentenhuizen, horeca, etc...

De tikken werden ook niet altijd in hetzelfde patroon doorgegeven. Ieder telefoongesprek begint met een startpuls. Hierdoor weet het systeem dat er een gesprek aan zit te komen. Vervolgens wordt, nadat het nummer is gekozen, aan de hand van de bestemming bepaald hoeveel tijd er tussen de tikken zit. Elke tik heeft dezelfde waarde, maar zo kost een gesprek waar de tikken elkaar sneller opvolgen, meer. In het begin was het ook zo dat een gesprek in je basistariefgebied altijd maar een tik kostte. Na de opkomst van modemverbinding en het kunnen inbellen belastte dit het netwerk meer zonder extra inkomsten. Halverwege de jaren 80 zijn we daar dan ook mee gestopt. Per 1 januari 2002 worden tikken in z'n geheel niet meer doorgegeven, het is met de huidige techniek niet meer nodig.



Line Sharing


Line sharing is het hebben van een PSTN of ISDN verbinding in combinatie met een DSL internetverbinding over dezelfde lijn. Dit is mogelijk omdat het frequentiebereik van de kabel opgedeeld wordt in blokken. De telefonie gebruikt hiervan maar een beperkt aantal blokken omdat voor spraak niet heel veel nodig is. De rest kan dan gebruikt worden voor internet.

Line sharing leveren we niet meer voor nieuwe klanten. Bestaande line sharing klanten zetten we zoveel mogelijk om naar combinatiepakketten met VoIP.


Afsluiter: Analoge en digitale signaalomzetting


Geluid is per definitie analoog, een traploos glijdende golf. Wat wel digitaal kan is de manier hoe dat geluid omgezet en verwerkt wordt. Bij analoge omzetting van een geluidssignaal blijft de hele geluidsgolf behouden. Bij digitale omzetting wordt alles omgerekend naar binair (eentjes en nullen).

Een voorbeeld van analoge omzetting is een plaat. Als je een lied op plaat wilt hebben, wordt de hele geluidsgolf van dat lied in de plaat gekerfd. De naald van de platenspeler volgt dan die kerf en speelt het lied af. Op deze manier blijft het geluidssignaal in ongecodeerde vorm behouden.

Bij digitale omzetting wordt er van een geluidsgolf gemeten hoe hoog deze is (de amplitude). Hoe vaker dit gemeten wordt, per golf, hoe beter de kwaliteit. De waardes die daaruit komen worden omgezet naar nullen en eentjes.

Bron: Wikipedia

Ter illustratie, deze afbeelding. De hoogte van de geluidsgolf wordt op een aantal punten gemeten en daar wordt een waarde aan toegekend. Die waardes worden allemaal op een rij gezet. In dit geval:
8 9 11 13 14 15 15 15 14 13 12 10 8 7 5 3 2 1 0 0 0 1 2 4 6 7

Deze waardes worden dan omgezet in binaire getallen, wat leidt tot:
code:
00111000 00100000 00111001 00100000 00110001 00110001 00100000 00110001 00110011 00100000 00110001 00110100 00100000 00110001 00110101 00100000 00110001 00110101 00100000 00110001 00110101 00100000 00110001 00110100 00100000 00110001 00110011 00100000 00110001 00110010 00100000 00110001 00110000 00100000 00111000 00100000 00110111 00100000 00110101 00100000 00110011 00100000 00110010 00100000 00110001 00100000 00110000 00100000 00110000 00100000 00110000 00100000 00110001 00100000 00110010 00100000 00110100 00100000 00110110 00100000 00110111


Dit signaal wordt dan als pulsen verzonden (elektrisch via een koperkabel, of als licht via glasvezel). Aan de ontvangende kant zit vervolgens een converter die het binaire signaal weer omzet naar de analoge golf.


Extraatje: Fax


Je weet het misschien niet, maar faxen bestaat al sinds 1843. Op dat moment werd er patent aangevraagd voor een telegraafkopieermachine. Waarmee een pen een tekst op een metalen plaat volgde en aan de hand van de op en neer daarvan een elektrisch signaal verstuurt via een telefoonlijn. Aan de andere kant vangt een andere pen dit op en voert dezelfde beweging uit om de tekst te kopiëren. Al in 1865 was er een telefaxdienst tussen Parijs en Lyon. In 1906 werd de eerste afbeelding via fax verzonden. En vanaf toen ging het in razende vaart verder. Fax is nog steeds een onmisbaar apparaat in veel bedrijven. Het principe hoe het werkt is nog steeds hetzelfde als in 1843, alleen gaat het tegenwoordig digitaal in plaats van analoog. De eerste digitale fax verscheen in 1974. Deze scant de afbeelding of tekst in, zet dit om in bits en dat weer in elektrische signalen die verzonden kunnen worden via de koperlijn.


Reageer